De Fifa noch Donald Trump wordt gehinderd door morele scrupules. Zo konden onder Gianni Infantino het voetbal en het trumpisme aaneen worden gesmeed. Gelukkig werd Spanje kampioen.
Spanje – Mei 2015, New York, een andere tijd. Justitie onthult een brisante aanklacht. Veertien kopstukken van de Fifa wordt samenzwering en corruptie ten laste gelegd. Al ruim twee decennia blijken hoge posities bij de voetbalbond te worden gebruikt voor zelfverrijking.
De FBI heeft 150 miljoen dollar aan steekpenningen getraceerd, met als tegenprestatie onder andere het toewijzen van het Wereldkampioenschap voetbal aan Rusland (in 2018) en Qatar (in 2022). De aanklacht stelt dat de corruptie rond het internationale voetbal ‘woekerend, systemisch en diepgeworteld is zowel in het buitenland als in de Verenigde Staten’.
Zomer 2026. Uiteraard is het balletje blijven rollen. Achtereenvolgens konden de regimes in Rusland en Qatar het mondiale voetbalkampioenschap gebruiken voor hun doeleinden: internationale pr en, andermaal, corruptie. De bouwcontracten voor nieuwe stadions werden toegewezen volgens de gebruikelijke procedés binnen regimes waarin de term ‘aanbesteding’ een lachertje is. Mensenrechten sneuvelden op het beton van de bouwplaats.
Na twee achtereenvolgende toernooien onder autoritair bewind is de boodschap duidelijk. Voetbal is psychologie, en dan vooral cognitieve dissonantie. Fans blijven komen of zetten het scherm aan. Journalisten schrijven artikelen die keurig binnen de witte lijnen blijven. ‘Sportswashing’, een term die voor het eerst werd gebruikt tijdens de Europese Spelen in Azerbeidzjan in 2015, bleek ook weer van toepassing op het WK in de VS, Mexico en Canada.
Van dat drietal hadden vooral de VS het een en ander schoon te spoelen. Voor het eerst in de WK-geschiedenis bombardeerde het gastland een ander deelnemend land terwijl het toernooi bezig was. De Amerikaanse democratie kreunt en kraakt tijdens Trumps tweede termijn. Het Amerika waarin opsporingsdiensten zelfstandig corruptie aan het licht brengen, is overschaduwd door een president die zelf het knooppunt vormt van woekerende, systemische en diepgewortelde corruptie.
Dat de FBI achter de Fifa aan gaat is nu ondenkbaar. De wereldvoetbalbond wordt geleid door een Trump-loyalist. Gianni Infantino heeft sinds Trumps heraantreden het Witte Huis vaker bezocht dan welk staatshoofd dan ook.
Tegelijk kun je niet helemaal spreken van een door de Fifa goedgekeurde autoritaire hattrick Rusland-Qatar-VS. Toen de loting plaatsvond, was Trump net een maand onderweg in zijn eerste presidentstermijn. De mogelijkheid dat hij, eenmaal aan de macht, keurig zou worden ingekaderd door regels, wetten en instituties van de Amerikaans democratie, bestond nog. Hoe dan ook leken de VS een decennium geleden een veilige keuze.
Dat Donald Trump in 2026 ook president zou zijn, was een gok waar de wedkantoren fors voor uitbetaald zouden hebben. Het scheelde iets meer dan honderdduizend stemmen in drie swingstates en Kamala Harris had de cup kunnen uitreiken. Het ultieme bewijs dat Trump min of meer toevallig het WK klemvast kreeg, is het volgende gedachte-experiment: zou de man van Make America Great Again ooit een bid hebben ingediend samen met Canada en Mexico?
Niet dat het veel uitmaakt. Morele verontwaardiging over losgeslagen immigratiediensten, selectieve visa-politiek en absurde ticketprijzen verstomde goeddeels zodra het eerste fluitsignaal klonk. Ja, de VS staan in democratie-indexen inmiddels dichter bij een dictatuur dan bij een democratie, maar aangezien dat punt al nauwelijks bezwaarlijk bleek in het geval van Vladimir Poetin, was niet te verwachten dat er nu wel een boycot van enige omvang zou plaatsvinden. Bovendien: niet heel Amerika is Trump.
De VS, zoals journalist Simon Kuper in de Financial Times vaststelt, zijn in zeker opzicht het ideale land om het WK te organiseren. Nergens ter wereld hebben zoveel landen ook een lokale fanbase. Voetballen in Amerika is een eerbetoon aan de melting pot en daarmee ook een statement tegen de alchemisten van Maga die de legering uiteen proberen te splijten in haar verschillende onderdelen.
Dat conservatief Amerika een historische hekel heeft aan voetbal, heeft evenmin iets uitgemaakt. De afgelopen decennia hebben de voorlopers van Maga ’s werelds populairste sport gebruikt als canvas voor hun morele hang-ups. Voetbal gold als links, multicultureel of zelfs als homoseksueel. ‘Soccer’, kortom, was voor rechts on-Amerikaans.
Jack Kemp, oud-Americanfootballspeler en politicus, hield ooit een toespraak in het Congres waarin hij tekeerging tegen de wens van de VS om het WK van 1994 te organiseren. De sport waar hijzelf groot mee was geworden was de belichaming van ‘democratisch kapitalisme’. Voetbal was volgens Kemp een ‘Europese socialistische sport’.
Dat was een aantal decennia geleden, toen Amerika nog een vanzelfsprekend dominante wereldmacht was, maar op sportief vlak uit de pas liep met de mondialisering. De wereld speelde samen voetbal, de yanks hadden genoeg aan hun stadions voor honkbal, American football en binnensporten als basketbal en ijshockey. Voetbal, georganiseerd in competities aan de andere kant van de Atlantische Oceaan, was een excentrieke liefhebberij voor wat progressieve kustbewoners.
De journalist – en voorloper in de Amerikaanse liefde voor voetbal – Franklin Foer betoogde in How Soccer Explains the World hoe deze sport model stond voor een wereld waarin identitaire tegenstellingen plaatsmaakten voor onderlinge verbondenheid. Hij had een apart hoofdstuk nodig om uit te leggen waarom zijn eigen natie de uitzondering op de regel was.
In de jaren die volgden zijn de VS eerst van voetbal gaan houden, om het daarna te veroveren. Verschillende groepen hebben bijgedragen aan de collectivisering van de eens verguisde sport, zo laat de journalist Andres Martinez zien in The Great Game: A Tale of Two Footballs and America’s Quest to Conquer Global Sport: vrouwen, voor wie voetbal een eigen sportief domein bood, en migranten (uit Latijns-Amerika in het bijzonder) die behalve een etnische en culturele ook een sportieve diaspora vormen. Ook bleekneuzige gamers leverden hun bijdrage, door steeds weer nieuwe edities van het digitale voetbalspel in hun consoles te steken.
Martinez redeneert dat voetbal bovendien uitermate geschikt terrein bleek voor Amerika’s kapitalistische imperialisme. American football was geen groeimarkt. Het was de sport waarin de VS tegelijk de enige en de beste waren. Echt voetbal bood wel expansiemogelijkheden. ‘Net zoals dat eerder gold voor Hollywood, beseft de Amerikaanse sportsector dat het een wereldmarkt niet links kan laten liggen’, schrijft hij.
Met andere woorden: omdat geld en voetbal zo verknoopt zijn geraakt, moest Amerika zich de sport wel eigen maken. Was voetbal daadwerkelijk ‘socialistisch’ gebleven, dan was het zwaartepunt misschien nog steeds Europees. Nu is het merendeel van de Britse Premier League in Amerikaanse handen.
Trump is in veel opzichten de uitgelezen president om deze ontwikkeling te bezegelen. De radicale Amerikaanse conservatieven in Amerika mogen dan een historische antipathie tegen voetbal koesteren, voor de leider die deze stroming politieke macht heeft bezorgd geldt dat zeker niet. ‘Een curieus biografisch feit is dat hij het spel eigenlijk erg leuk vindt’, schreef Foer dit voorjaar in The Atlantic over Trump en het voetbal. Trump volgde het spel al als twintiger en was een groot bewonderaar van Pelé. Trumps zoon Barron, Amerikaan van zijn tijd, is voetballiefhebber.
Foer gaat zelfs zover om voetbal de ‘uitgelezen trumpiaanse sport’ te noemen. Tegen de schenen van veel Europese voetballiefhebbers, ongetwijfeld, maar de argumenten zijn sterk: voetbal is een wereld van geld, spektakel en macht, precies de ingrediënten die de dynamiek in Trump World bepalen. En voetbal ‘is het domein van Russische oligarchen, potentaten uit het Midden-Oosten, Latijns-Amerikaanse strongmen – zijn soort mensen’, schrijft Foer. Trump weet dat je als autoritaire leider je status kunt vergroten via het voetbal. Dat gold al voor Mussolini in 1934.
Hooguit kun je zeggen dat het niet zozeer voetbal tout court, maar het WK en zijn organisator zijn die trumpisme en voetbal aaneensmeden. De Fifa wordt niet gehinderd door morele scrupules. Trump evenmin. De Fifa speelt mee met Trumps bedenksels – zie de kinderlijke ‘Fifa-vredesprijs’, uitgereikt aan de Amerikaanse president door Infantino, die met liefde een Maga-petje opzet. De vraag blijft dan wel: nu het voetbal een zomer lang is gespeeld onder de star spangled banner, is de afdruk daarvan niet permanent?
In ieder geval heeft Amerika ook de kans gekregen om het spelritme te veranderen met de als drinkpauze verpakte extra reclameblokken en een halftime show gedurende de finale. Deze noviteiten konden buiten de VS op weinig enthousiasme rekenen.
Tegelijk injecteerde dit WK ook aangenaam Amerikanisme in het spel. Voetbal bloeit door fans, en Amerika excelleert in fan culture. Het succes van de underdog is een verhaal dat gedijt in het land van de onbegrensde mogelijkheden, en dit WK was er een van de kleine teams die bijzondere prestaties leverden, hoe traditioneel het tableau ook was vanaf de halve finales.
‘De reizen van periferie naar het centrum, of het nu die van Curaçao, Kaapverdië, Noorwegen of Congo is, dat is waar het WK om draait’, zei David Goldblatt, auteur van de klassieker The Ball is Round: A Global History of Football tegen Equator. Zijn commentaar illustreert hoezeer er twee zielen in iedere voetbalkijker huizen. Goldblatt vond dit WK afschuwelijk, maar die onverwachte successen vervulden hem met ‘enorme blijdschap’.
En dan was er nog Trumps ingreep om Amerika’s winstkansen te vergroten. Zijn verzoek om de rode kaart voor aanvaller Folarin Balogun te schrappen was een typisch trumpiaanse manoeuvre, en een spiegel van hoe hij met verkiezingen omgaat: macht gebruiken om de regels te omzeilen. De bereidwilligheid van de Fifa om mee te gaan in het spelbederf was evenmin out of character, en van alle een-tweetjes tussen Donald Trump en de voetbalbond was dat waarschijnlijk de diepste kras die dit WK aan het voetbal heeft toegebracht.
Wel opvallend was de ruime bijval voor Trump. Zelfs de online left die er normaal een dagtaak aan heeft om Trump te bekritiseren, had wel begrip voor de ingreep. Amerikanen doen nu eenmaal alles om te winnen, klonk het. De trans-Atlantische cultuurclash, met als achterliggende vraag of de wereld toebehoort aan de autoritaire strongmen of aan de liberale democratie, heeft ook het voetbal bereikt.
En dus wordt binnen de EU gelobbyd om de Fifa aan te pakken. De Britse Liberal Democrats willen dat de Engelse Football Association en Uefa uit de Fifa stappen, omdat de Fifa ‘de integriteit van een prachtig spel vernietigt’. Net als de handelsoorlog, het stroeve Navo-bondgenootschap en andere trans-Atlantische spanning draagt dit WK bij aan het uiteendrijven van de VS en Europa.
Dat Spanje won van Fifa-favoriet en Maga-bondgenoot Argentinië was in dat opzicht een passende einduitslag. Van de Europese landen gaat Spanje het meest direct in tegen het trumpiaanse autoritarisme. De eer gaat naar een Europees land, Trump werd uitgejouwd bij het uitreiken van de cup. Doeltreffender zijn de internationale verhoudingen niet samen te vatten.
